100 jaar jachtopzichters

De droom van elke copywriter: een archief vol obscure en hartverwarmende verhalen om uit te putten voor een boek. De research en het schrijfwerk deed ik samen met collega-schrijver Marco Krijnsen. We probeerden de allereerste notulenboeken te ontcijferen, interviewden jachtopzichters en hun adellijke werkgevers en sprokkelden zo het verhaal bij elkaar. Hieronder een aantal fragmenten.

De Eerste Wereldoorlog
Naast wanbetalers was er een ander probleem bij het innen van de contributie en donaties. De Eerste Wereldoorlog woedde hevig in alle landen rondom Nederland en vanwege de mobilisatie waren mensen onvindbaar. Ook (bestuurs)leden van de Vereniging deden hun plicht voor het vaderland, zoals de voorzitter Baron Taets van Amerongen van Woudenberg, die maanden aaneen van huis was om oorlogsslachtoffers te verplegen.
De verkrijgbaarheid van levensmiddelen daalde terwijl de prijzen stegen, met als gevolg dat er schrikbarend hoge prijzen voor wild werden betaald. Stropers gingen steeds verder om hun buit te bemachtigen en moord en doodslag waren geen uitzondering. Natuurlijk werden deze misdaden flink bestraft, maar voor het stropen op zich stonden milde straffen. Een opvallend groot deel van de stropers bestond uit militairen, die het idee hadden dat ze overal mee weg konden komen, maar dan buiten de jachtopzichters hadden gerekend; ‘Op staanden voet werden al deze personen ontslagen, terwijl de bekeurden hun verdere straf voor het Kantongerecht zullen hooren.’

Een (levens)gevaarlijk vak
Het werk als jachtopzichter bracht natuurlijk veel gevaar met zich mee. Nietsontziende stropers gingen tot het uiterste om hun buit binnen te halen, vooral in de grensstreek. De Wildschut maakte in die jaren bijna maandelijks melding van jachtopzichters die in elkaar waren geslagen, aan de dood ontsnapten door weg te duiken voor geweerschoten of daadwerkelijk om het leven kwamen bij het uitoefenen van hun vak. Bovendien werd het wapentuig ook toen al slim gemaskeerd; zo berichtte de Wildschut in 1929 over een ‘op het oog elegant wandelstokje, dat een vernuftig geconstrueerd geweer bleek te zijn’.
De Vereniging drong er bij kantonrechters op aan om stropers zwaarder te straffen en dat leek zijn uitwerking niet te missen. Door strenger op te treden raakten stropers doordrongen van de mogelijke gevolgen van hun illegale acties. Bovendien pleitte het bestuur er in 1936 voor dat onbezoldigde Rijksveldwachters als eerste een schot mochten lossen, waar ze tot dan toe moesten wachten totdat er op hen geschoten werd. Of dit verzoek werd gehonoreerd vermeldde de Wildschut niet.

Aanval op jachtopzichters
Voor hoeveel werknemers zal het uitoefenen van hun dagelijks werk een mogelijk gevaar voor hun leven inhouden? Jachtopzichters stonden met grote regelmaat voor de loop van een stroper, die vaak niet twijfelde bij het schieten. Al deze laffe aanslagen werden in de Wildschut gepubliceerd. Enkele voorvallen:

Moordaanslag op een jachtopzichter, October 1916. Alweer een slachtoffer van trouwe plichtsbetrachting! (…) Aan het einde van het bosch, ziet Haarbosch den stroper A. Kokken wegloopen; hij achtervolgt hem en op 5 meter afstand roept hij ‘Halt, Rijkspolitie!’. De strooper keert zich om en richt het geweer op den vervolger, die met den rechterarm het schot afwerend nog roept: ‘Kokken, niet schieten!’ Doch het schot valt en Haarbosch ontvangt de volle lading in zijn rechterborst en gedeeltelijk zijn rechterarm. Hoewel zwaar gewond, behield Haarbosch gelukkig het volle bewustzijn. De inmiddels gerequireerde geneesheer gelastte onmiddellijke overbrenging naar het gasthuis, waar reeds bij eerste behandeling meer dan 150 hagelkorrels uit de wonden werden verwijderd.

~ Nader wordt vermeld dat de dader van den moordaanslag is gearresteerd.

Moordaanslag, September 1931. Toen Zaterdagavond jachtopzichter P. Hol op surveillance was, betrapte hij twee personen, die met den lichtbak aan het stroopen waren. Op hetzelfde oogenblik dat hij de stroopers sommeerde, werd hij in het volle licht gezet en werden twee schoten gelost. De jachtopzichter kreeg een hagelschot in het linkerdijbeen. De lichtbak werd daarop weggeworpen en de beide personen sloegen op de vlucht, terwijl de getroffene hen nog enkele schoten nazond. De jachtopzichter zag kans naar den dijk te kruipen,waar hij om hulp begon te roepen. Na eenige tijd kwam er iemand langs lopen die den bewoner van Café Heidelust ging waarschuwen. Deze zond direct een boodschap naar de marechausseekazerne en begaf zich naar de aangeduide plaats. Per brancard werd het slachtoffer naar het Protestantsch Ziekenhuis te ’s-Hertogenbosch vervoerd. Bij onderzoek bleek dat hij wel ernstig maar niet doodelijk was getroffen.
Ondanks een uitgebreid onderzoek is de politie er nog niet in geslaagd de stroopers op te sporen. De lichtbak is wel teruggevonden; deze bestond uit een carbidlantaren en een motorlantaren.

De oorlogsjaren
Tijdens de Tweede Wereldoorlog en de eerste jaren van vrede na 1945, probeerde de Vereniging de belangen van haar leden zo goed mogelijk te behartigen. Het werd geen ‘business as usual’, want bepaalde zaken moesten ineens wel anders worden georganiseerd.
De vergaderingen bijvoorbeeld, mochten niet plaatsvinden zonder de toestemming van de Procureur-Generaal en politieke agendapunten waren uit den boze. Tijdens de AV van 1941 sprak de voorzitter uit dat er sinds 10 mei van dat jaar veel veranderd was en dat het hem verheugde dat – bij zijn weten – tot dat moment geen enkel lid zijn leven voor het land had hoeven laten.
Enerzijds vonden er huiszoekingen plaats waarbij vuurwapens werden ingenomen, anderzijds waren er ook genoeg Duitsers en NSB’ers die een oogje dichtknepen en een gevonden geweer in de kachel of een wiegje achterlieten. Het waren onzekere tijden, waarin tragische verhalen en hartverwarmende gebeurtenissen elkaar afwisselden. Zoals het relaas over een politiecommandant, die een bevriende jachtopzichter een aantal maanden ‘gevangen’ hield, zodat hij niet naar Duitsland hoefde. Gebeurtenissen binnen de jachtwereld waar vaak een vriendschap voor het leven uit groeide.

Jongens uit Nederlands-Indië
De Nederlandse strijdkrachten in Nederlands-Indië hadden zich op 8 maart 1942 overgegeven, waarna Japan het gebied bezette. Een aantal van ‘Onze jongens uit Indië’ die na de oorlog thuiskwamen, zou graag als voluntair jachtopzichter aan de slag gaan, waar de Vereniging hen bij wilde helpen. Dhr. Tate – voorzitter van de afdeling Gelderland – wilde hetzelfde doen voor een jongen die hij tijdens zijn onderduikperiode had leren kennen. Het bestuur verwachtte dat druk bezette jachtopzichters er graag een voluntair bij zouden willen en dat er plek voor hen zou zijn op ‘t Loo. Via de Beschermheer van de Vereniging, Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Bernhard, probeerde men de jongens geplaatst te krijgen.