23 november 2009
De column van Sylvia Witteman een keer overnemen, wie wil dat nou niet. Een minder retorische vraag: durf ik het ook? Sylvia is bepaald niet voor de poes en je jat toch de plek waar ze elke week haar hart lucht. Aan de andere kant: zij zit helemaal in Amerika. Veilig ver weg. Bovendien is de kans klein dat ze dit verstaat, want ik heb een behoorlijk Twents accent. Dus, JA! Ik durf wel een beetje.
Misschien is het leuk om iets over mijn eigen leven te schrijven. Als een soort eerbetoon aan de stijl van genoemde en gelauwerde columnist. Zo’n relaas zal u wel even kunnen boeien, want geloof mij: het leven in Hengelo (dat spreekt u uit met vier o’s) doet niet onder voor de doorsnee Amerikaanse suburb. Ook hier kijken buren graag bij elkaar over de schutting en gaat elke kleinigheid gretig over de tong. Ze noemen het noaberschap, maar dat is gewoon dialect voor opdringerig. Ik zal u vertellen hoe ik daar achter kwam.
'Ze noemen het noaberschap, maar dat is gewoon dialect voor opdringerig.
Tot voor kort woonden mijn vriend en ik in een achterbuurt. Ik bedoel natuurlijk: herstructureringswijk, al waren we aan Vogelaars’ haviksoog ontsnapt. Zo’n wijk met enorme misdaadcijfers – wekelijks vier gestolen fietsen èn een hondendrol midden op de stoep – en een groot grasveld waar het op warme dagen gezellig druk was. Onze douche stond er fris beschimmeld bij, onze computers lieten de stoppenkast roken en in het trappenhuis hield geen peertje het langer dan een week vol. Maar toch. Het was ons plekje. Vanachter mijn schrijftafel keek ik uit op dat grasveld vol zelfverkozen werkelozen en voelde ik me thuis. Het enige wat je van de buren wist was: hoe hard de hond kon blaffen (boven), hoeveel ze ruzieden (overkant portiek) en of de nieuwe teelt bijna klaar was om te oogsten (wietplantage in de ‘bakkerij’ beneden).
'Wekelijks vier gestolen fietsen èn een hondendrol midden op de stoep.'
Onlangs zijn we dus naar een betere wijk verhuisd. Een nieuwbouwbuurt aan de rand van de stad. Vol noabers. Waar ik vroeger iedereen met ‘buurman’ of ‘buurvrouw’ groette, is me hier de eerste t/m de vierde voornaam van de hele straat schriftelijk mede gedeeld. Steeds meer mensen roepen me toe ‘wanneer de housewarmingborrel is?’, zodat ik nu niet eens meer naar buiten durf te kijken. En vorige week stond er zomaar een buurvrouw in mijn eigen achtertuin naar me te zwaaien. Eerst dacht ik dat ik voor en achter door elkaar haalde. Meteen daarna dacht ik ‘zou het opvallen dat ik naakt ben (en ongeschoren, de zomer is alweer voorbij nietwaar)?’. Onze badkamer is beneden en ik had net heerlijk gedoucht. De buurvrouw bleek op de koffie te komen. Zomaar. Ongevraagd en achterom. ‘Zo doen we dat hier’, zei ze nog. Ineens realiseerde ik me dat dit het moment was. Ik moest direct korte metten maken met haar en al haar soortgenoten. Ik greep iets wat binnen handbereik lag en zwaaide het boven mijn hoofd...
...(Intussen, in Amerika:) ‘Korte metten maken’, roept Sylvia, ‘dat kan ik als de beste! Wat zij ook boven haar hoofd zwaait, de mijne is groter. Niemand pikt mijn column nog in. Ik vlieg morgen richting Twente. If that’s what it takes!’ Om zichzelf onmiddellijk te corrigeren: ‘As dat d’r veur neudig is!’