24 september 2009
Dat ik weer veilig terug ben van vakantie heeft niks te maken met de wegen in Italië. Het land der mozzarella heeft een wegennet als gatenkaas. Kuilen en kraters, met een blok beton als middenberm. Zoveel korte tunnels op een rij dat een stroboscoop er wat van kan leren. In een flits zie ik het bordje 100 rood omrand. Is dat in het kader van: wie durft?
Zo doorkruis je de laars. Via de snelweg die als een hardnekkige smet door het prachtige landschap, over bergen dwars door steden en door dalen kruipt. Ze hebben er dan ook maar één. Wij hebben hem goed leren kennen; hij bracht ons overal en wij noemen hem de A-Enige.
Hoe meer tijd we met hem doorbrachten, hoe vreemder we hem vonden. Een gevoel dat ongetwijfeld wederzijds was. Want automobilisten met hun handen aan het stuur en hun ogen op de weg: zo ziet ie ze niet vaak. Bellend, etend, pratend, wild gebarend en lezend tijdens het rijden: ja. Maar gewoon rijden? Toch voelde de A-Enige zich – zoals elke rechtschapen Italiaan – gevleid door onze aandacht. Niets kon onze blik van hem losrukken. We smolten honderden kilometers achtereen weg bij zijn zinderend hete asfalt. Alsof de ogen van buitenlanders zoals wij al die gaten in z’n wegdek hadden gebrand.
En dan is daar de laatste kuil en komt de Zwitserse grens in zicht. Ineens recht de weg zijn rug, trekt z’n berm strak en schroeft z’n tol op. We laten de mozzarella, gatenkaas en vakantiestemming achter ons. Weer aan de schrijf om onze boterham met Goudse te kunnen beleggen!