30 juli 2009
Het is blogkommertijd. De krant is dun, de klant op vakantie en ik staar wat uit het raam naar de zon. Boven het asfalt trilt de warmte in golfjes. Ik surf er in gedachten vandoor. Voor mijn ogen verandert de straat in een strand. Daar lig ik. Opblaasbeest in de rug, boek op de buik en lezen. Want na een jaartje schrijven doe ik niks liever dan het omgekeerde. In mijn asfalt oase is alles perfect. Geen kiezels, die door de handdoek prikken. Geen krasje op de zonnebril, precies voor je oog. Geen strandbal, die vol op die bril stuitert.
In zo’n situatie lees je proza dat past bij het moment: een woordje over de grens. Zoals Het Goddelijke Monster van de Belg Tom Lanoye. (Mijn Vlaams is vloeiend.) Het mooiste is zo’n vocabulaire, die je je meteen eigen maakt. Na een dagje in een Belgisch boek roep ik naar de nonkel van mijn nichtje: ‘Kom je zo uit het water, dan togen we dra richting kamping.’
Den nonkel komt uit het water gewaad. Maar wat gek. Waar haalt hij die boodschappentas en dat hondje vandaan? VRROEMM, knalt een vrachtwagen vlak voor hem langs. Dwars over het strand, dat plots weer een straat wordt. Den nonkel blijkt een straffe gast die net van de Albert Heijn komt. En ik zie aan de klok dat je een stuk relaxter uit dagdromen ontwaakt zonder deadlines. Laat ik er maar snel een blogje over schrijven voor iedereen die ook niet op vakantie is. Allee!