29 april 2010
Het is pas lente met een lammetje in de wei. Bij het woord ‘voorjaar’ denken we allemaal aan kalfjes, kuikens en geitjes. Vreemd eigenlijk. Waarom denkt niemand aan de enorme spinnen, die bij vijf graden boven nul ineens overal in huis kruipen? Waren die ooit klein? Dan is het slim dat ze toen nog even wegbleven, want tot een centimeter of 2 durf ik wel.
Toch werd ik dit voorjaar beloond met een lief lentediertje. Wij hebben zo’n ombouw voor de klimop (of ‘klimstop’, zoals we dat luie ding noemen) en daar zat ze bovenop. Een witgrijze duif, geklemd tussen wat takjes en de dakrand. Loerende rode oogjes. Heel lelijk eigenlijk. ‘Maar wat er uit haar eitjes komt zal toch wel schattig zijn’, dacht ik bij mezelf. En ik hielp het haar hopen, want wat kon die duif poepen. Ik had al een ‘droppingzone’ aangelegd, maar daar had zij overduidelijk schijt aan.
Al wekenlang peuter ik geduldig haar vlaaien van het hek. Tot gisteren. Zelf nogal dartel van de lentelucht (of de ammoniak uit de duivenpoep) stond ik weer klaar met borstel en zeep. Ik begon onderaan. Af en toe keek ik waarschuwend naar boven, zodat duif zich niks in haar hoofd haalde. Ineens hoorde ik een angstig klapwieken. Ik keek op, midden in de snuit van weer zo’n lentediertje. Een koninginbij, zo groot als mijn vuist. Ik ontweek haar op een haar na. Ze vloog richting het lege duivennest en verdween ergens onder de dakrand. Daar bouwt ze nu haar korf. Geen mini duifjes voor mij. Maar volgens mijn vriend mag ik niet klagen, want zo’n bij krijgt al gauw hónderden kleintjes.